Apothekers podcast met Harm Geers omslag

Apothekers Podcast
met Harm Geers

Paracetamol is de eerst keus pijnstiller die gebruikt kan worden. Paracetamol is een veilig middel, mits op de juiste manier gebruikt. Bij korter dan 1 maand kan de dosering tot 4 gram worden aangehouden, maar bij langduriger gebruik of bij de aanwezigheid van risicofactoren moet de dosering lager zijn. In deze apothekerspodcast meer over de juiste manier van dosering bij paracetamol.

In deze apothekerspodcast hebben we het over RLS. Dit is een aandoening die gepaard gaat met een enorme drang tot bewegen van de benen, deze aandrang treedt op in rust en speelt vooral op tijdens de avond en nacht. RLS wordt behandeld met geneesmiddelen, maar recente inzichten tonen aan dat ijzergebrek in de hersenen een belangrijke rol speelt bij RLS en dat het belangrijk is om bij RLS ervoor te zorgen dat de ferritine concentratie boven de 50 microgram per liter blijft. Geneesmiddelen die gebruikt worden zijn dopamine agonisten (pramipexol, rotigotide en ropinirol), echter men denkt dat deze middelen gepaard gaan met het frequenter optreden van augmentatie, waardoor de symptomen van RLS eerder optreden en heftiger optreden. Gabapentine en pregabaline kunnen ook gebruikt worden bij RLS, maar zijn hiervoor in Nederland niet geregistreerd, maar zouden off label kunnen worden toegepast. 

Literatuur
1.  Garcia-Borreguero D, Cano-Pumarega I. New concepts in the management of restless legs syndrome. Bmj. 2017 Feb 27;j104-14.
2.  Garcia-Malo C, Romero-Peralta S, Cano-Pumarega I. Restless Legs Syndrome. Clinical Features. Sleep Medicine Clin. 2021;16(2):233–47.
3.  Guo S, Huang J, Jiang H, Han C, Li J, Xu X, et al. Restless Legs Syndrome: From 

Nederland ken ruim 2 miljoen gebruikers van maagzuurremmers, is dat niet heel veel? Zijn er geen mensen die kunnen stoppen met maagzuurremmers en als je wilt stoppen, kan je dat zomaar doen? Hoe bouw je maagzuurremmers het beste af? Welke maagzuurremmers zijn er eigenlijk? In deze apotekerspodcast wordt dit allemaal uitgelegd.

Gebruikte literatuur:
1.  Islam MdM, Poly TN, Walther BA, Dubey NK, Ningrum DNA, Shabbir S-A, et al. Adverse outcomes of long-term use of proton pump inhibitors. Eur J Gastroen Hepat. 2018;30(12):1395–405.
2.  Gomm W, Holt K von, Thomé F, Broich K, Maier W, Fink A, et al. Association of Proton Pump Inhibitors With Risk of Dementia. JAMA Neurology. 2016 Apr 1;73(4):410–7.
3.  Lyu B, Hansen KE, Jorgenson MR, Astor BC. Associations between Proton Pump Inhibitor and Histamine-2 Receptor Antagonist and Bone Mineral Density among Kidney Transplant Recipients. American Journal of Nephrology [Internet]. 2020 Jun 24;51(6):433–41. Available from: https://www-karger-com.proxy.library.uu.nl/Article/Pdf/507470
4.  Ben‐Eltriki M, Green CJ, Maclure M, Musini V, Bassett KL, Wright JM. Do proton pump inhibitors increase mortality? A systematic review and in‐depth analysis of the evidence. Pharmacol Res Perspectives. 2020;8(5):e00651.
5.  Kuller LH. Do Proton Pump Inhibitors Increase the Risk of Dementia? JAMA Neurology. 2016 Apr;73(4):379–81.
6.  Xie Y, Bowe B, Yan Y, Xian H, Li T, Al-Aly Z. Estimates of all cause mortality and cause specific mortality associated with proton pump inhibitors among US veterans: cohort study. Bmj. 2019;365:l1580.
7.  Willems RPJ, Dijk K van, Ket JCF, Vandenbroucke-Grauls CMJE. Evaluation of the Association Between Gastric Acid Suppression and Risk of Intestinal Colonization With Multidrug-Resistant Microorganisms. Jama Intern Med. 2020;180(4):561–71.
8.  Willems RPJ, Dijk K van, Ket JCF, Vandenbroucke-Grauls CMJE. Evaluation of the Association Between Gastric Acid Suppression and Risk of Intestinal Colonization With Multidrug-Resistant Microorganisms. JAMA Internal Medicine. 2020 Apr 1;180(4):561–11.
9.  Ford CD, Lopansri BK, Haydoura S, Snow G, Dascomb KK, Asch J, et al. Frequency, Risk Factors, and Outcomes of Vancomycin-Resistant EnterococcusColonization and Infection in Patients with Newly Diagnosed Acute Leukemia: Different Patterns in Patients with Acute Myelogenous and Acute Lymphoblastic Leukemia. Infection Control & Hospital Epidemiology. 2015 Jan 5;36(1):47–53.
10.  Singh-Franco D, Mastropietro DR, Metzner M, Dressler MD, Fares A, Johnson M, et al. Impact of pharmacy-supported interventions on proportion of patients receiving non-indicated acid suppressive therapy upon discharge: A systematic review and meta-analysis. Plos One. 2020;15(12):e0243134.
11.  D’Silva KM, Mehta R, Mitchell M, Lee TC, Singhal V, Wilson MG, et al. Proton pump inhibitor use and risk for recurrent Clostridioides difficile infection: A systematic review & meta-analysis. Clin Microbiol Infec. 2021;27(5):697–703.
12.  Lazarus B, Chen Y, Wilson FP, Sang Y, Chang AR, Coresh J, et al. Proton Pump Inhibitor Use and the Risk of Chronic Kidney Disease. Jama Intern Med. 2016;176(2):238–46.
13.  Srinutta T, Chewcharat A, Takkavatakarn K, Praditpornsilpa K, Eiam-Ong S, Jaber BL, et al. Proton pump inhibitors and hypomagnesemia: A meta-analysis of observational studies. Medicine. 2019;98(44):e17788.
14.  Orelio CC, Heus P, Dieren JJK, Spijker R, Munster BC van, Hooft L. Reducing Inappropriate Proton Pump Inhibitors Use for Stress Ulcer Prophylaxis in Hospitalized Patients: Systematic Review of De-Implementation Studies. J Gen Intern Med. 2021;1–9.
15.  Tran‐Duy A, Connell NJ, Vanmolkot FH, Souverein PC, Wit NJ, Stehouwer CDA, et al. Use of proton pump inhibitors and risk of iron deficiency: a population‐based case–control&

In deze podcast wil ik de maatschappelijke discussie rondom het wisselen van geneesmiddelen op voorschrift van zorgverzekeraars aanvullen met een aantal waarnemingen die ik heb gedaan als apotheker. Ik zie dat er al heel veel mensen zijn gewisseld van geneesmiddel en dat er een kleine groep mensen overblijft voor wie wisselen heel eng is en mogelijk ook nadelen geeft. In deze apothekerspodcast benoem ik een aantal problemen, zoals het gebrek aan vertrouwen in geneesmiddelen, de toename in het aantal consulten bij huisarts en specialist over de wisseling van die geneesmiddelen en de toename in het aantal metingen om te evalueren of die geneesmiddelen niet nadelig zijn voor deze groep patiënten. Verder belicht ik het morele dilemma wat er ontstaat bij mij als apotheker als ik een afweging moet maken tussen een financieel argument en een het belang van de patiënt. Tenslotte geef ik aan hoe ik denk dat het ook anders kan en waarbij er een systeem ontstaat waarbij er toch veel bespaard kan worden.

Antidepressiva moeten nooit abrupt gestaakt worden, maar worden afgebouwd, in verband met het optreden van onttrekkingsverschijnselen. In deze afleverin gaan we in op die onttrekkingsverschijnselen. U kunt deze onthouden aan de afkorting FINISH (Flu-like symptoms, Insomnia, Nausea, Imbalance, Sensory disturbance, Hyperarousal). Ze kunnen ernstig of minder ernstig verlopen, maar ook met veel of weinig symptomen. Bij de aanwezigheid van risicofactoren moet langzaam worden afgebouwd, zonder risicofactoren kan er sneller (in 2 weken) worden afgebouwd. Dat laatste is wel afhankelijk van de dosering. Er is een goed consensusdocument opgesteld over het afbouwen van SSRI's en SNRI's, de link daar naartoe vindt u hieronder.
https://www.knmp.nl/downloads/multidisciplinair-document-2018afbouwen-ssri2019s-snri2019s2019.pdf

In deze aflevering meer informatie over het serotoninesyndroom. Dit syndroom kenmerkt zich door een veranderde mentale status, autonome overactiviteit en neuromusculaire abnormaliteiten. Het komt voor in milde vorm, maar ook in ernstige vorm, de ernstige vorm heeft een hoge mortaliteit. Centraal staan de symptomen: zweten, versnelde hartslag, toegenomen darmgeluiden, diarree, agitatie, spiertrekkingen, tremoren, vooral in de onderste extremiteiten (benen en armen). Er is een verhoogde kans op het serotoninesyndroom bij overdosering van het SSRI (vaak als gevolg van een bewuste intoxicatie), een combinatie met andere serotonerg werkende geneesmiddelen of door de combinatie met (designer) drugs als MDMA (XTC), LSD, 3-MMC (Poes). Het syndroom ontstaat snel, dus het is belangrijk om hulp te zoeken van een arts als u het vermoeden heeft van een serotoninesyndroom.

Literatuur:
1. Boyer EW, Shannon M. The Serotonin Syndrome. New Engl J Medicine. 2005;352(11):1112–20.

Er zijn verschillende soorten antidepressiva, in deze podcast wordt vooral aandacht besteed aan de meest gebruikte middelen, de SSRI's en de TCA's. De verschillende criteria waarop er gekozen kan worden voor het ene dan wel het andere soort SSRI worden  besproken.

Het microbioom bevat alle bacteriën in onze darmen. Deze bacteriën hebben een hele nuttige functie, ze maken bepaalde vitamines aan, ze produceren nuttige stoffen, ze produceren neurotransmitters, ze helpen met de vertering van ons voedsel en ze helpen met het in stand houden van de barrière van het maagdarm kanaal en hebben ook invloed op ons immuun systeem. Het maagdarm kanaal kan ook communiceren met de hersenen en kan daar zowel een positieve (in de gezonde situatie) als negatieve invloeden uitoefenen (zoals bij depressie). In deze apothekerspodcast wordt uitgelegd hoe men denkt dat veranderingen in het microbioom kunnen leiden tot depressie.

Geraadpleegde literatuur
1.  Du Y, Gao X-R, Peng L, Ge J-F. Crosstalk between the microbiota-gut-brain axis and depression. Heliyon. 2020;6(6):e04097.
2.  Capuco A, Urits I, Hasoon J, Chun R, Gerald B, Wang JK, et al. Gut Microbiome Dysbiosis and Depression: a Comprehensive Review. Curr Pain Headache R. 2020;24(7):36.
3.  Carlessi AS, Borba LA, Zugno AI, Quevedo J, Réus GZ. Gut microbiota–brain axis in depression: The role of neuroinflammation. Eur J Neurosci. 2021;53(1):222–35.
4.  Belmaker RH, Agam G. Major Depressive Disorder. New Engl J Medicine. 2008;358(1):55–68.
5.  Łoniewski I, Misera A, Skonieczna-Żydecka K, Kaczmarczyk M, Kaźmierczak-Siedlecka K, Misiak B, et al. Major Depressive Disorder and gut microbiota – Association not causation. A scoping review. Prog Neuro-psychopharmacology Biological Psychiatry. 2020;106:110111.
6.  Li Z, Ruan M, Chen J, Fang Y. Major Depressive Disorder: Advances in Neuroscience Research and Translational Applications. Neurosci Bull. 2021;1–18.
7.  Jia X, Gao Z, Hu H. Microglia in depression: current perspectives. Sci China Life Sci. 2020;1–15.
8.  Liang S, Wu X, Hu X, Wang T, Jin F. Recognizing Depression from the Microbiota–Gut–Brain Axis. Int J Mol Sci. 2018;19(6):1592.
9.  Ren F, Guo R. Synaptic Microenvironment in Depressive Disorder: Insights from Synaptic Plasticity. Neuropsych Dis Treat. 2021;Volume 17:157–65.
10.  Petralia MC, Mazzon E, Fagone P, Basile MS, Lenzo V, Quattropani MC, et al. The cytokine network in the pathogenesis of major depressive disorder. Close to translation? Autoimmun Rev. 2020;19(5):102504.
11.  Rudzki L, Maes M. The Microbiota-Gut-Immune-Glia (MGIG) Axis in Major Depression. Mol Neurobiol. 2020;57(10):4269–95.


De mono amine deficiëntie hypothese kan niet verklaren waarom het 4-6 weken duurt voor antidepressiva gaan werken. Men is daarom op zoek naar een andere verklaring. Deze wordt gevonden in de dysregulatie van de HPA-as (Hypothalamus-Hypofyse-Bijnier-as). Door dysregulatie komt er meer cortisol vrij en cortisol is onvoldoende instaat om zijn eigen afgifte te remmen, hierdoor komt er meer cortisol in het limbisch systeem. Het limbisch systeem is bevat veel receptoren voor glucocorticoiden en men vindt in personen met depressie dat er minder volume van de hippocampus is. Er is een andere speler, namelijk Serum Glucocoticoid regulated Kinase 1 (SGK1) die een belangrijke rol speelt. SGK1 is meer actief in depressieve personen en zorgt dat de glucocorticoid receptor samen met het FKBP5 eiwit sterker geforsforyleerd (=geactiveerd) wordt en zich daardoor sterker naar de celkern verplaatst waar het samen met een onbekende co-repressor de aanmaak van Brain Derived Neurotrofic Factor (BDNF) remt. BDNF is een neurotrofine en "verzorgt"  de zenuwen. Een tekort aan BDNF zorgt voor verminderde groei, differentiatie en neuroplasticiteit. Daarnaast verzorgt BDNF ook de gliacellen en kan het de uitstoot van pro-inflammatoire cytokinen remmen. Dus door een gebrek aan BDNF in de hippcampus kan er neuroinflammatie en atrofie ontstaan, waardoor men denkt dat er depressie ontstaat. Het herstel van deze staat door een verhoging van BDNF in de hippocampus kost tijd en daardoor verklaart men waarom het 4-6 weken duurt voordat antidepressiva gaan werken. Enkele interessante artikelen die ik hiervoor heb geraadpleegt vind u hieronder:

Literatuur:
1.  Carniel BP, Rocha NS da. Brain-derived neurotrophic factor (BDNF) and inflammatory markers: Perspectives for the management of depression. Prog Neuro-psychopharmacology Biological Psychiatry. 2020;108:110151.
2.  Belmaker RH, Agam G. Major Depressive Disorder. New Engl J Medicine. 2008;358(1):55–68.
3.  Notaras M, Buuse M van den. Neurobiology of BDNF in fear memory, sensitivity to stress, and stress-related disorders. Mol Psychiatr. 2020;25(10):2251–74.
4.  Ren F, Guo R. Synaptic Microenvironment in Depressive Disorder: Insights from Synaptic Plasticity. Neuropsych Dis Treat. 2021;Volume 17:157–65.
5.  Petralia MC, Mazzon E, Fagone P, Basile MS, Lenzo V, Quattropani MC, et al. The cytokine network in the pathogenesis of major depressive disorder. Close to translation? Autoimmun Rev. 2020;19(5):102504.
6.  Dattilo V, Amato R, Perrotti N, Gennarelli M. The Emerging Role of SGK1 (Serum- and Glucocorticoid-Regulated Kinase 1) in Major Depressive Disorder: Hypothesis and Mechanisms. Frontiers Genetics. 2020;11:826.
7.  Rana T, Behl T, Sehgal A, Srivastava P, Bungau S. Unfolding the Role of BDNF as a Biomarker for Treatment of Depression. J Mol Neurosci. 2020;1–14.


In deze aflevering maakt u kennis met een aantal basisbegrippen die belangrijk zijn voor de podcasts over depressie die op deze podcast zullen volgen. Besproken wordt de epidemiologie van depressie (hoe vaak komt het voor, wat zijn de risicofactoren), wat is het beloop en wat zijn de kernsymptomen. Deze kunt u nalezen in de NHG standaard depressie (https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/depressie#samenvatting). Vervolgens worden er een aantal kernbegrippen geïntroduceerd, zoals de synaps, neuroplasticiteit, gliacellen, Long Term Potentioation, Long term Depression. De belangrijke hersengebieden die betrokken zijn bij depressie worden besproken, dit zijn de prefrontale cortex, de amygdala, de hippocampus en de thalamus. Tenslotte wordt de klassieke Mono Amine Deficiency Theory besproken, waarin wordt uitgegaan dat depressie wordt veroorzaakt door een tekort aan de monoamine neurotransmitters serotonine, noradrenaline en dopamine. Deze theorie blijkt echter een aantal gebreken te hebben en recent zijn er nieuwe theorieën ontstaan die het ontstaan van depressie proberen te verklaren vanuit de fysiologie. In de komende serie apothekerspodcasts zullen we hier verder op inzoomen.

Naar schatting hebben ongeveer 500.000 mensen in Nederland medicatie overgebruik hoofdpijn (MOH), dat is ca 3% van de bevolking. Hierbij verandert de oorspronkelijke hoofdpijn (meestal migraine) door overmatig gebruik van medicatie in chronische dagelijkse hoofdpijn. De migraine is dus van karakter verandert door het te vroeg gebruik van het medicijn of door het innemen van het medicijn tegen migraine uit voorzorg (om toch maar naar het werk te gaan bijvoorbeeld). Ook gewone pijnstillers al paracetamol en NSAID's kunnen MOH veroorzaken. De enige remedie hiertegen is radicaal stoppen met de hoofdpijn medicatie. 

In deze apothekerspodcast gaat het over diabetypering ofwel subtypering van diabetes type 2. Anne-Margreeth Krijger heeft hier onderzoek naar gedaan en merkte dat de glucosespiegel eigenlijk geen goede maat is om diabetes te kenmerken. Zij bedacht samen met TNO en naar aanleiding van een publicatie in the Lancet van Alquist et al. in 2018 dat er verschillende typen diabetes bestaan. Belangrijk is hierbij de hoeveelheid insuline die er aanwezig is. Er zijn mensen met hoge glucose spiegels en een lage insuline spiegel (deze produceren onvoldoende insuline) en mensen met een hoge glucose spiegel en een hoge insuline spiegel (insuline wordt dus kennelijk wel voldoende geproduceerd, maar werkt niet voldoende, er is sprake van insulineresistentie). Ook de gevolgen van een hoge insulinespiegel zijn anders dan die bij een lage insuline spiegel. Anne-Margreeth sluit af met een discussiestuk om naast de standaard metingen die gedaan worden om diabetes vast te stellen hieraan de meting van het nuchter insuline wordt toegevoegd en om bij een beperkt aantal personen een orale glucose tolerantie test te doen.   
Voor vragen: harmgeers@gmail.com 

Slaap en kalmeringsmiddelen de zogenaamde benzodiazepinen worden heel veel gebruikt. Het zijn middelen die voor de korte termijn angst en of slapeloosheid goed kunnen onderdrukken, maar zeker geen lange termijn oplossing zijn. Op termijn treedt tolerantie op en ook lichamelijke gewenning aan deze middelen. Door tolerantie zijn mensen vaak geneigd een hogere dosering te nemen en raken ze in een vicieuze cirkel. Benzodiazepinen kunnen bij langdurig gebruik niet acuut gestopt worden, maar moeten altijd worden afgebouwd. Dit kan door over te stappen op een middel met een lange werkingsduur, zoals diazepam en dan langzaam in 6-12 weken af te bouwen. De apotheker en de (huis)arts kunnen u daarbij helpen. 

Geneesmiddelen bevatten naast de werkzame stof ook hulpstoffen. Hulpstoffen worden vaak in verband gebracht met veronderstelde bijwerkingen, maar hulpstoffen veroorzaken maar weinig bijwerkingen in de praktijk. In deze podcast bespreek ik welke soorten hulpstoffen zoals voorkomen en wat hun functie is. Uw apotheker kan samen met u nakijken welke hulpstoffen er in uw tabletten zitten en kan ook kijken welke verschillen er in hulpstoffen tussen twee verschillende geneesmiddel merken zitten. Dit kan u meer vertrouwen geven in het nieuwe merk als u wisselt van geneesmiddel. 

Er is veel ophef over het Astra Zeneca vaccin in verband met mogelijk verhoogde kans op trombose? Veel mensen willen geen vaccin meer van Astra Zeneca. Hoe beslissen mensen dit? Is dit logisch? Nemen wij wel de juiste beslissing. Door te weten waar wij het risico overschatten (kleine kansen) en waar we het risico juist onderschatten (bij grote kansen), kunnen we rekening houden met het beslissen over het vaccin. Het is in deze podcast niet mijn doel om een volledig adequate berekening van het risico op trombose weer te geven, ik heb deze gemaakt op basis van een paar krantenartikelen, maar ik denk dat het niet veel afwijkt van het werkelijke risico. 

Tijdens intercurrente ziekten (koorts, braken, diarree) of bij een hoge omgevingstemperatuur neemt het risico op uitdroging toe. De nier wordt dan minder goed doorbloed en de nierfunctie kan dan plotseling afnemen. Dit is vooral een risico bij mensen die al een verminderde nierfunctie hebben. Bovendien gebruiken mensen met een verminderde nierfunctie vaak medicatie (denk aan ACE remmers -prillen- en ARB's -sartanen-) die de druk in de  nier verlagen. In combinatie met (dreigende) uitdroging kan de druk zoveel dalen dat er acute nierschade ontstaat. In deze aflevering gaan we het hebben over wat te doen tijdens intercurrente ziekten bij mensen met chronische nierschade. Let op dat dit altijd maatwerk is en u altijd eerst medisch advies inwint bij uw eigen professional voor u actie onderneemt. 

In deze podcast wordt de indeling van chronische nierschade (CNS) uitgelegd en wordt verteld wat de risicofactoren zijn voor CNS. Er wordt uitgelegd wat mensen zelf kunnen doen om verdere nierschade te beperken en om dit te voorkomen. 

In deze podcastserie over de nieren gaat het ver de glomerulaire filtratie snelheid (GFR) en hoe deze bepaald wordt. Er zijn verschillende zaken de de GFR beïnvloeden, te weten de spiermassa, extern ingenomen kreatinine, tubulaire secretie van kreatinine. Verder wordt de GFR bepaald door de druk als gevolg van eiwitten in het bloedplasma (de oncotische druk) en de druk die ontstaat in de glomerulus als gevolg van de hydrostatische druk. De hydrostatische druk kan beïnvloed worden door veranderingen in de diameter van het aanvoerende vat (afferente arteriole) en het afvoerende vat (efferente arteriole) van de glomerulus. Geneesmiddelen kunnen deze diameter aan beide kanten van de glomerulus beïnvloeden. 

De nieren hebben een aantal belangrijke functies in het lichaam, deze podcast is een onderdeel van 4 podcasts over de nieren en het geneesmiddel. In deze podcast de inleiding over de functies van de nieren.  De volgende podcasts gaan over de filtratie functie van de niet, daarna gaat het over chronische nierschade en de laatste podcast over de nieren zal gaan over het gebruik van geneesmiddelen bij chronische nierschade. 
In deze podcast worden de functies van de nieren besproken, dit zijn (1) de uitscheiding van afvalstoffen, (2) de productie en uitscheiding van bepaalde hormonen, (3) metabole functies van de nier en als laatste het op pijl jouden van het bloedvolume (eigenlijk van het extracellulaire volume). De functionele eenheid van de niet is het nefron dat bestaat uit de glomerulus, proximale tubulus, lis van Henle, distale tubulus en de verzamelbuisjes. De functies van deze segmenten worden achtereenvolgens kort besproken.

Na een hartinfarct wordt veel medicatie voorgeschreven, maar waarom wordt deze medicatie nu precies gebruikt? Eén van de veel gebruikt middelen na een hartinfarct is een bloedplaatjesremmer, of zelfs dubbele bloedplaatjesremming, waarom wordt dat toegepast en hoe lang moet dit gebruikt worden? Kunnen er ook drie verschillende antistollingsmiddelen gebruikt worden? U leert het allemaal in deze apothekerspodcast. 

Insulines worden gebruikt in stap 4 en 5 van de behandeling van type 2 diabetes. Het verschil tussen de verschillende insulines zit hem vooral in de verschillen in farmacokinetiek. De werking van insulines kan worden gemanipuleerd door verschillende aminozuren in de eiwitketen van insuline te veranderen, hun volgorde om te wisselen of om stoffen hieraan te verbinden.  In deze apothekerpodcast een uitleg over de verschillen tussen insulines. 

DPP-4 remmers remmen het enzym DiPeptidylPeptidase-4. DPP-4 is verantwoordelijk voor de afbraak van meerdere eiwitten in het lichaam en heeft daarmee een eiwitregulerende functie. Remming van DPP-4 zorgt ervoor dat GLP-1 , maar ook GIP minder snel wordt afgebroken en daardoor langer werkt. Hierdoor wordt de insuline secretie bevordert en daalt de glucosespiegel. DPP-4 remmers geven geen hypoglykemie. DPP-4 remmers hebben een neutraal effect op het ontstaan van hart- en vaatziekten, ze verhogen het risico hierop niet, maar ze verlagen het ook niet.  

SGLT-2 remmers verlagen de sterfte in type 2 diabetes en de sterfte door hart- en vaatzieken en ze verminderen de kans op achteruitgang van de nierfunctie en de kans op terminaal nierfalen. SGLT-2 remmers verlagen de intraglomerulaire druk en verminderen de hyperfiltratie door de nier die ontstaat bij type 2 diabetes. Uit onderzoek bleek dat SGLT-2 remmers de kans op sterfte en ziekenhuisopname als gevolg van hartfalen sterker verminderen dan GLP-1 remmers. Zowel SGLT-2 remmers als GLP-1 remmers verminderen de sterfte, van GLP-1 remmers werd aangetoond dat ze de kans op beroerte weer sterker doen dalen dan SGLT-2 remmers. 

GLP-1 Agonisten stimuleren de insuline afgifte in de pancreas en verhogen het verzadigingsgevoel, waardoor er minder voedsel wordt opgenomen. GLP-1 agonisten verlagen de sterfte door hart- e vaatziekten, verminderen de daling in nierfunctie en verlagen de kans op terminaal nierfalen bij diabetische nierziekten. GLP-1 agonisten lijken qua werkingsmechanisme een beetje op sulfonylureumderivaten, maar dan net een beetje anders. GLP-1 agonisten worden geïnjecteerd in het onderhuidse vetweefsel (subcutaan) en door allerlei chmische modificaties is het gelukt om GLP-1 agonisten te maken met een langer werkingsduur, waardoor een wekelijkse injectie volstaat. 

Metformine bestaat al sinds de jaren 20 van de vorige eeuw. Het is een stof waar heel veel ervaring mee is opgedaan, maar waarvan het werkingsmechanisme eigenlijk nooit heel goed van is ontrafeld. Het blijkt dat metformine op verschillende weefsels in het lichaam effect heeft. Metformine is de eerste behandelstap bij de behandeling van diabetes sinds het verschijnen van de United Kingdom Prospective Diabetes Trial (UKPDS) studie in 1998. Bij mensen met overgewicht en nieuw gevonden diabetes die 10 jaar waren gevold, bleek dat metformine een daling gaf in de sterfte als gevolg van hart- en vaatziekten en minder gewichtstoename gaf. Vanaf dat moment wat metformine de nieuwe sterspeler in de strijd tegen diabetes type 2. Nog steeds geld dat afvallen, meer bewegen, gezond eten en stoppen met roken de allerbeste medicijnen zijn tegen type 2 diabetes. 

De tweede stap in de behandeling van diabetes type 2 zijn de sulfonyluremderivaten (SUD). SUD verminderen de microvasculaire complicaties van type 2 diabetes, maar niet de macrovasculaire complicaties. SUD geven hypoglykemie en gewichtstoename als bijwerking. Ze zijn goed koop en er is zeer veel ervaring mee opgedaan. Extra materiaal bij deze podcast kunt u vinden op YouTube: https://youtu.be/joS6hFerQw0

De behandeling van type 2 diabetes gaat volgens een stappenplan dat bestaat uit 5 stappen. In deze Podcast wordt het stappenplan besproken en wordt uitgelegd wat de doelen zijn van de behandeling van type 2 diabetes. Er worden verschillende geneesmiddelen heel kort uitgelegd, in de volgende serie podcasts zal er meet worden ingegaan op de individuele geneeesmiddelen.

Type 2 diabetes wordt veroorzaakt door een relatief tekort aan insuline of door een verminderde gevoeligheid van insuline.  De regulering van glucose in het lichaam staat onder de invloed van glucagon, adrenaline en insuline. Als gevolg van een tekort aan insuline, stijgen de bloedglucose spiegels. Deze verhoogde bloedglucose spiegels leiden tot Advanced Glycosylation Endproducts (AGE). Deze AGE zorgen voor verhoogde oxidatieve stress in het lichaam, waardoor ontstekingsreacties en verhoogde kans ontstaat op hart- en vaatziekten, nefropathie en retinopathie. De behandeling van type 2 diabetes bestaat naast geneesmiddelen vooral uit beweging, gezonde voeding en stoppen met roken. 

Een geneesmiddel werkt in het lichaam als een sleutel die op een slot past. Het slot is de receptor. Een receptor is een eiwitstructuur die een signaal teweeg brengt als deze gestimuleerd wordt. Er zijn veel verschillende receptoren die allemaal reageren op de algemene sleutel (stof) die het lichaam aanmaakt. Geneesmiddelen zijn wat meer specifieke sleutels, die het liefst maar op 1 slot werken en zo een specifieke werking hebben. In deze Apothekers Podcast wat meer uitleg over basisfarmacologie, zodat u als geneesmiddel gebruiker begrijpt waarom een geneesmiddel naast een hoofdwerking ook bijwerkingen kan hebben en waarom het belangrijk is om uw geneesmiddel dagelijks in te nemen en niet te vergeten.  

Het geneesmiddel dat wordt ingenomen maakt een hele reis door het lichaam, deze reis wordt de farmacokinetiek (farmacon=geneesmiddel, kinetiek=bewegen) genoemd. De farmacokinetiek bestaat uit het vrijkomen van het geneesmiddel, de opname, de distributie, het metabolisme en de uitscheiding van het geneesmiddel. De wisselwerking tussen geneesmiddelen kan ontstaan door beïnvloeding van elkaars metabolisme. Verder kunnen verschillende erfelijke factoren ervoor zorgen dat het geneesmiddel sneller of juist minder snel wordt omgezet. Tenslotte zorgen de nieren meestal voor de uitscheiding van het geneesmiddel. 

De niet motorische symptomen van de Ziekte van Parkinson zijn misselijkheid, REM-slaap stoornis, depressie, psychose en hallucinaties, orthostatische hypotensie (lage bloeddruk) en speekselvloed. Al deze symptomen kunnen worden behandeld met verschillende medicatie. Het is een enorme puzzel om dit goed te doen en er moet rekening gehouden worden met heel veel factoren. In deze Apothekers Podcast worden de verschillende geneesmiddelen die gebuikt kunnen worden bij deze symptomen behandeld en wordt geprobeerd om van sommige symptomen te verklaren hoe ze ontstaan en waarom de gekozen therapie daarom verstandig is. 

In deze Apothekers Podcast worden de COMT-remmers, de MAO-B remmers, Amantadine, propranolol en trihexyphenidyl besproken. De COMT-remmers entacopon, tolcapon en opicapon zorgen dat er meer levodopa beschikbaar is om opgenomen te worden in de hersenen. De MAO-B remmers rasagiline en seligiline zorgen binnen de hersenen dat dopamine niet wordt afgebroken in onwerkzame bestanddelen. Propranolol en Trihexiphenydil worden gebruikt bij tremor en Amantadine om overbeweeglijkheid (dyskinesieën) tegen te gaan. 

Bij wisselende effecten op levodopa therapie en met name als er veel "off" perioden zijn, dan kan het helpen om een dopamine agonist toe te voegen. Dopamine agonisten kunnen de off periode met 2 uur per dag gemiddeld verkorten. In deze aflevering de belangrijke zaken om op te letten bij het gebruik van dopamine agonisten 

De Ziekt van Parkinson gaat gepaard met bewegingsproblemen (stijfheid, langzaam bewegen, tremor), dit worden de motorische symptomen genoemd. Er zijn ook niet motorische symptomen (depressie, psychose, orthostase -plotselinge bloeddruk daling-, dementie en slaapproblemen). In dit eerste deel van de Apothekers Podcast gaat het over de behandeling van de bewegingsproblemen met levodopa. Levodopa is een goed onderzocht geneesmiddel, maar er zijn een paar zaken die u moet weten om het optimale voordeel te halen uit dit geneesmiddel. Deze zaken worden besproken in dit deel van de Apothekers Podcast

In deze Apothekers Podcast wordt dieper ingegaan op de preventieve medicijnen die gebruikt worden bij hartfalen, de zogenaamde onderhoudsmedicatie. Naast plastabletten, zoals in podcast nummer 4 zijn besproken, wordt er hier ingegaan op de behandeling met betablokkers, ACE remmers, angiotensien receptor blokkers en mineraal corticoid receptor antagonisten. Aanvullende informatie bij deze Apothekers Podcast is te vinden op het YouTube kanaal van de Apothekers Podcast. Zie hiervoor:
https://www.youtube.com/user/BennekomseApotheek

Hartfalen komt vaker voor bij het toenemen van de leeftijd en kan goed worden behandeld met geneesmiddelen. Hartfalen zorgt voor benauwdheid en kortademigheid en kan ook gepaard gaan met vochtophoping in het lichaam. Een van de geneesmiddelen die gebruikt wordt bij hartfalen is de groep plastabletten of diuretica, met name de lisdiuretica furosemide en bumetanide. Deze middelen zorgen ervoor dat u heel veel moet plassen in korte tijd. Plastabletten zorgen ervoor dat u het vocht dat wordt vastgehouden door het hartfalen snel weer kwijtraakt, waardoor u meer kan en minder benauwd wordt. In dit eerste deel van de podcast over hartfalen, worden de plastabletten behandeld.

Boezemfibrilleren komt heel veel voor bij het toenemen van de leeftijd. Dit abnormale hartritme gaat gepaard met een verhoogd risico op bloedstolsels, met name herseninfarcten. Geneesmiddelen die gebruikt worden zijn erop gericht om die stolsels te voorkomen en / of om de hartfrequentie te verlagen, waardoor het hart rustiger gaat kloppen en meer tijd krijgt om zichzelf goed te vullen met bloed en daardoor ook meer bloed kan rondpompen. In deze aflevering worden de bloedverdunners, de bètablokkers, de calciumantagonisten en digoxine besproken. Verder wat tips die u zelf kunt doen. 

Statines worden veel gebruikt na een hartaanval of bij pijn op de borst, maar ook bij diabetes of na een herseninfarct. Statines hebben positieve effecten op de lange termijn, maar kunnen ook wel eens spierpijnklachten veroorzaken. Wat houden die spierpijnklachten in? Hoe vaak komen ze voor? Wat moet u hierover weten? 

Wisselingen in medicijnmerk komt vaak voor. Veel mensen geven aan dat ze bijwerkingen hebben na wisseling van medicijnen. Komt dat door de hulpstoffen? Of komt dat door het verwachtingspatroon dat mensen hebben van hun medicijnen. Hoe kan je ervoor zorgen dat bijwerkingen van medicijnwisselingen zo weinig mogelijk voorkomen. Een positieve verwachting over het medicijn scheppen helpt in het voorkomen van bijwerkingen. Een positief verwachtingspatroon helpt bovendien ook om meer effect te halen uit je geneesmiddel.
Er is aanvullend materiaal inclusief een powerpoint presentatie te vinden op mijn YouTube kanaal: https://youtu.be/m5E-wYUtV0I

Copyright© 2021 - Apothekers Podcast met Harm Geers